# De zin van ziekzijn - Theorie
### Deel 1 (theorie) van het boek "De zin van ziekzijn" van Thorwald-Dethlefsen en Rudiger-Dahle
## Voorwoord
Dit is een ongemakkelijk boek, want het ontneemt de mens de mogelijkheid zijn ziekte te gebruiken als een alibi voor zijn onopgeloste problemen. Wij willen aantonen dat de zieke niet het onschuldige slachtoffer is van willekeurige onvolkomenheden van de natuur, maar dat hij ook zelf de dader is.
## DEEL 1
### Theoretische inleiding tot het begrip van ziekte en genezing
### 1\. Ziekte en symptomen
Dat de officiële geneeskunde de mens uit het oog verloren heeft, is intussen vrijwel iedereen duidelijk geworden. De steeds verdergaande specialisering en de analyse als grondbeginselen van het wetenschappelijk onderzoek hebben, onvermijdelijk bij de nog steeds groter en exacter wordende kennis van het detail, het geheel uit het oog verloren.
In dit boek zullen wij ons vanuit een nieuwe invalshoek met het probleem van ziekte en genezing bezighouden. In geen geval nemen wij daarbij de bestaande, traditionele en voor ieder als vaststaand beschouwde grondwaarden van dit levensgebied over.
Daarom mikken wij met deze uiteenzetting niet op de collectieve ontwikkeling van de geneeskunde, maar richten wij ons tot die enkelingen, wier persoonlijk inzichtelijk vermogen de (wat trage) collectieve ontwikkeling al enigszins voorbijgesneld is.
Zouden mensen ophouden het gebeuren in deze wereld en in hun eigen levenslot te duiden (= interpreteren), dan verzinkt hun bestaan in onbeduidendheid en zinloosheid. Om iets te kunnen duiden hebben wij een referentiekader nodig, dat buiten het gebied ligt, waarop datgene wat geduid moet worden zich manifesteert. Daarom wordt de ontwikkelingsgang van deze stoffelijke en formele wereld pas verklaarbaar, wanneer men een metafysisch referentiekader erbij betrekt.
Het lichaam is nooit ziek of gezond, omdat in het lichaam uitsluitend de informaties van het bewustzijn tot uitdrukking komen. Het lichaam doet niets uit zichzelf, waarvan iedereen zich kan overtuigen door te kijken naar een lijk.
Wanneer de uiteenlopende lichamelijke functies op een bepaalde manier samenspelen, ontstaat er een patroon, dat wij als harmonisch ervaren en daarom gezondheid noemen. Ontspoort er een functie dan bedreigt deze in meerdere of mindere mate de gehele harmonie en wij spreken dan van ziekte.
Ziekte betekent dus het verlaten van een harmonie, resp. het onzeker worden van een tot dan toe uitgebalanceerde ordening (wij zullen later zien dat vanuit een andere gezichtshoek bekeken, ziekte eigenlijk een evenwicht produceert). De verstoring van de harmonie vindt echter in het bewustzijn op het vlak van de informatie plaats en **vertoont **zich alleen maar in het lichaam.
Er zijn veel symptomen – maar zij zijn allemaal uitdrukking van een en hetzelfde gebeuren, dat wij ziekte noemen en dat zich altijd in het bewustzijn van een mens afspeelt.
Met het begripsmatige onderscheid tussen ziekte (terrein van het bewustzijn) en symptoom (terrein van het lichaam) verplaatst zich onze beschouwing van ziekte onvermijdelijk van de ons overbekende analyse van het lichamelijk gebeuren naar een beschouwing van het psychisch gebied.
Een symptoom is een signaal dat aandacht, interesse en energie op zichzelf richt en daarmee het gewone synchrone verloop verstoord. Een symptoom dwingt ons er aandacht aan te besteden – of wij dat willen of niet.
Wat er zich ook in ons lichaam als symptoom manifesteert, is de zichtbare uitdrukking van een onzichtbaar proces en zou door zijn signaalfunctie de door ons tot dan gevolgde weg willen onderbreken, erop wijzen, dat iets niet in orde is en ons ertoe brengen om ons zelf vragen te stellen.
Men jaagt het doel na ooit eens het optreden van alle symptomen te kunnen verhinderen, zonder deze conceptie op mogelijkheid en zinvolheid te onderzoeken.
Er zijn nog steeds evenveel ziekten als vroeger – alleen de symptomen zijn anders geworden.
Zo wordt bijvoorbeeld trots vermeld dat de infectieziekten zijn overwonnen, maar men zegt er niet terzelfdertijd bij, welke symptomen in dit tijdperk in betekenis en frequentie zijn toegenomen.
Wanneer men ziekte en dood in hun grootheid en verhevenheid zou begrijpen, dan zou men vanuit die achtergrond kunnen zien, hoe belachelijk onze hybridische inspanningen zijn om deze met onze krachten te bestrijden.
Ziekzijn kent slechts een doel: ons te helpen.
Door alleen maar niet te luisteren en niet te verstaan, verdwijnen de symptomen niet. Wij houden op de een of andere manier ons altijd met hen bezig. Als wij het aandurven naar hen te luisteren en met hen in communicatie te treden, worden zij onomkoopbare leraren op de weg naar de ware genezing.
In het lichaam kunnen slechts de desbetreffende bewustzijnstoestanden weerspiegeld worden.
Medisch handelen beperkt zich tot zuiver functionele maatregelen en als zodanig zijn die noch goed noch slecht, maar mogelijke interventies op het materiële vlak. Op dit vlak is de geneeskunde voor een deel immers verwonderlijk goed.
Het gaat ons dus niet zozeer om wat men doet, maar veel meer om de bewustheid van datgene wat men doet. Wie onze uiteenzetting tot nu toe heeft begrepen, zal het nu wel duidelijk zijn dat onze kritiek natuurlijk net zo goed betrekking heeft op de natuurgeneeswijze als op de officiële geneeskunde, want ook de natuurgeneeswijze probeert met behulp van functionele maatregelen genezing (= heel-wording) te bereiken, probeert ziekte te verhinderen en pleit voor een gezond leven.
Ziekte is niet een vergissing, een toevallige en daarom vervelende storing onderweg, maar ziekte zelf is de weg, waarop de mens het heil/heel-zijn tegemoet gaat. Het is niet onze bedoeling ziekte te bestrijden, maar haar te benutten.
### 2\. Polariteit en eenheid
Het ego van de mens maakt het voor hem onmogelijk in welke vorm dan ook eenheid of totaliteit waar te nemen, te herkennen, of zich ook maar te kunnen voorstellen. Het bewustzijn splitst alles en verdeelt alles in twee tegengestelden, die wij, wanneer zij ons provoceren, als conflict beleven. Zij dwingen ons te onderscheiden en vervolgens een keuze te doen. Ons verstand doet niets anders dan de werkelijkheid in steeds kleinere stukken verdelen (analyse) en tussen die stukken onderscheid maken (onderscheidingsvermogen). En dus zegt men ‘ja’ tegen het ene en gelijktijdig ‘neen’ tegen zijn tegengestelde – want tegenstellingen sluiten elkaar, zoals wij weten, uit.
Het ego van de mens wil juist altijd iets hebben wat buiten hem ligt en wil maar moeilijk begrijpen, dat het slechts moet uitdoven om een-te-zijn met alles. In de eenheid valt ‘alles’ en ‘niets’ in een geheel samen. Het ‘niets’ geeft iedere manifestatie en begrenzing op en ontkomt daarmee aan de polariteit.
**Om te kunnen denken hebben wij immers juist de polariteit nodig.** Kennis is zonder polariteit, zonder de splitsing in subject en object, in kenner en het gekende niet mogelijk. In de eenheid is er geen kennis, slechts ‘zijn’. In de eenheid houdt al het verlangen, willen en streven, alle beweging op – want er is geen ‘buiten’ meer, waarnaar men zou kunnen verlangen. Het is de oude paradox, dat men alleen in het niets de volheid kan vinden.
Wij bezitten allemaal een polair bewustzijn, dat maakt dat wij de wereld polair zien. Het is belangrijk dat wij voor ons zelf kunnen toegeven, dat niet de wereld polair is, maar ons bewustzijn waarmee wij de wereld ervaren.
Ritme is echter niets anders dan de voortdurende afwisseling van twee polen. Ritme is het grondpatroon van alles wat leeft. Hetzelfde bedoelt de fysica met de uitspraak, dat alle verschijnselen tot trillingen kunnen worden gereduceerd. Vernietigt men ritme, dan vernietigt men leven, want leven is ritme.
**De ene pool leeft van de andere pool. Halen wij een pool weg, dan verdwijnt ook de andere.**

*Welk beeld ik van de twee mogelijkheden waarneem, is afhankelijk van mijn keuze: *
*kies ik het witte of het zwarte vlak als achtergrond.*
De twee vormelementen vaas/ gezichten zijn tegelijkertijd in het plaatje samen aanwezig, maar zij dwingen de beschouwer tot een beslissing in de zin van ‘of’ /‘of’. Óf wij zien de vaas, óf wij zien de gezichten. Wij kunnen de twee aspecten van dit plaatje in het gunstigste geval na elkaar waarnemen, maar het is erg moeilijk om tegelijkertijd beide gelijkwaardig waar te nemen.
In dit plaatje is de zwarte pool afhankelijk van de witte pool en omgekeerd. Haalt men uit dit plaatje een pool weg (het maakt niet uit welke), dan verdwijnt het gehele beeld met beide aspecten.
Deze intense afhankelijkheid van twee tegenstellingen van elkaar laat ons zien, dat achter iedere polariteit blijkbaar een eenheid bestaat, die wij mensen met ons bewustzijn nu eenmaal niet als eenheid-in-haargelijktijdigheid kunnen kennen en waarnemen. Daardoor zijn wij gedwongen, iedere werkelijkheidseenheid in twee polen te ontbinden en deze na elkaar te beschouwen.
Polariteiten lijken slechts voor de oppervlakkige waarnemer tegenstellingen te zijn, die elkaar over en weer uitsluiten – bij een nadere beschouwing blijkt dat de polariteiten samen een eenheid vormen en in hun bestaan van elkaar afhankelijk zijn.
Door deze dwang, eenheden in aspecten te moeten ontbinden, die wij dan ná elkaar moeten beschouwen, ontstaat ‘tijd’, want pas door de waarneming met een polair bewustzijn verandert de gelijktijdigheid van het zijn in een na-elkaar, een opeenvolging. Zoals achter de polariteit de eenheid staat, staat achter de tijd de eeuwigheid.
Vooral de gelijkstelling van goed en kwaad zal ons nog diepgaand bezighouden en kan misschien hier al duidelijk maken, welke enorme consequenties het begrijpen van het probleem ‘polariteit’ heeft.
De polariteit van ons bewustzijn beleven wij subjectief in de afwisseling van twee bewustzijnstoestanden, die zich duidelijk van elkaar onderscheiden: waken en slapen.
Eng verbonden met deze polariteit is ook de onderscheiding in een bovenbewustzijn en een onderbewustzijn.
Onbewust is niet hetzelfde als bewusteloos. In de slaap bevinden wij ons alleen maar in een ander bewust-zijn. Van een niet-aanwezig bewustzijn kan trouwens helemaal geen sprake zijn. Het on-bewuste is dus geen afwezigheid van bewust-zijn, maar slechts een zeer eenzijdige classificatie van het dagbewustzijn, dat constateert dat er blijkbaar nog iets is, waarop het geen greep heeft.

De cirkel symboliseert hier het ene allesomvattende bewustzijn, dat zonder grenzen en eeuwig is. De cirkelomtrek is dus ook geen grens, maar alleen symbool voor het alomvattende. De mens is daarvan door zijn begrenzend ik gescheiden, waardoor zijn subjectief, begrensd bovenbewustzijn ontstaat. Hij heeft daardoor geen toegang tot het resterende, d.w.z. het kosmische bewustzijn – dat is hem on-bewust (C. G. Jung noemt deze laag het ‘collectief onbewuste’). De scheidslijn tussen zijn ik en de overblijvende ‘oceaan van het bewustzijn’ betekent echter geen absolute scheiding; veel eerder zou men deze lijn als een soort membraan kunnen zien, die naar beide zijden toe poreus is. Deze membraan komt overeen met het onderbewustzijn. Het bevat zowel inhouden die uit het bovenbewustzijn naar beneden gezonken zijn (vergeten), als ook inhouden die vanuit het onbewuste opstijgen, als bijvoorbeeld voorgevoelens, grote dromen, intuïtie, visioenen.
Deze klassieke polariteiten zijn moeiteloos ook onder te brengen bij de uitkomsten van het hersenonderzoek. Zo is de linkerhemisfeer yang, mannelijk, actief, bovenbewust en komt overeen met het symbool van de zon en dus met de dagzijde van de mens.
De rechterhemisfeer is yin, negatief, vrouwelijk. Zij komt overeen met het maanprincipe, respectievelijk de nachtzijde of het onbewuste in de mens.
De betekenis van de hemisferentheorie is volgens ons het gegeven, dat de wetenschap nog in staat is om te begrijpen, hoe eenzijdig en half haar tot nu toe geldend wereldbeeld is, en dat zij door zich te verdiepen in de rechterhemisfeer, de gegrondheid en noodzakelijkheid leert zien van die andere wijze om de wereld te beschouwen. Tegelijkertijd zou men de hemisferentheorie als voorbeeld kunnen nemen om de wet van de polariteit als de centrale wereldwet te leren verstaan, maar dat mislukt meestal wegens het absolute onvermogen van de wetenschap om analoog te denken (rechterhelft).
Voor ons zou dit voorbeeld nog eens **de wet van de polariteit** moeten verduidelijken:
- Eenheid splitst zich in het menselijk bewustzijn in polen.
- Deze twee polen vullen elkaar aan (compenseren) en hebben daarom hun tegenpool nodig om zelf te kunnen bestaan.
- De polariteit brengt het onvermogen met zich mee om de beide aspecten van een eenheid tegelijkertijd te beschouwen en dwingt ons dus tot ná-elkaar, waardoor de fenomenen ‘ritme’, ‘tijd’ en ‘plaats’ ontstaan.
- Wanneer een polair bewustzijn eenheid met woorden wil omschrijven, dan kan het dat slechts met behulp van een paradox.
- Het voordeel dat de polariteit ons schenkt, is het vermogen om te kennen, wat zonder polariteit niet mogelijk is.
- Het is het streven en verlangen van een polair bewustzijn om zijn door de tijd bepaalde on-heel-zijn te overwinnen en weer ge-heeld (volledig) te worden.
- Iedere heilsweg of inwijding is de weg uit de polariteit, de eenheid in.
- Deze stap uit de polariteit in de eenheid is een zodanige radicale, kwalitatieve verandering, dat deze voor het polaire bewustzijn moeilijk of zelfs onmogelijk voorstelbaar is.
- De leer van alle metafysische systemen, godsdiensten en esoterische scholen gaat uitsluitend over deze weg uit de twee-heid in de eenheid. Daaruit blijkt al overduidelijk, dat geen van deze leren is geïnteresseerd in een ‘verbetering van deze wereld’, maar in een ‘verlaten van deze wereld’.
Jezus noemde polariteit 'deze wereld' en de eenheid 'hemelrijk', of het huis van mijn vader, of ook heel simpel vader.
Jezus en zijn discipelen hebben totaal verschillende oogmerken. Jezus probeert de blik van de mens te richten op de betekenis en het belang van de eenheid, terwijl zijn toehoorders zich krampachtig en angstig aan de polariteit van de wereld vastklampen.
De esoterische leer spreekt niet over ‘vlucht uit de wereld’, maar over ‘overwinning van de wereld’. Maar overwinning van de wereld is slechts een ander woord voor ‘overwinning van de polariteit’, wat identiek is met **het opgeven van het ik, van het ego,** want de volheid bereikt slechts hij, die niet langer door zijn ik wordt afgescheiden van het zijn.
Evenzo krijgen dit leven en deze wereld pas een inhoudelijke dimensie, wanneer ons doel is hen te overwinnen. Zo is de zin van een trap niet om er op stil te blijven staan, maar hem door er gebruik van te maken, te overwinnen. Door het verlies van dat metafysisch richtpunt is het leven in onze tijd voor zo velen zinloos geworden, want de enige zin die voor ons is overgebleven, heet vooruitgang. Maar de vooruitgang kent geen ander doel dan nog meer vooruitgang. En zo is een weg verworden tot een trip.
Wanneer wij met dit begrip van de eenheid nog eens het gebied van de hersenhemisferen beschouwen, dan wordt duidelijk dat ons doel, de overwinning van de polariteit, op dit gebied samengaat met een beëindiging van de wisselende dominantie van de beide hersenhelften. Ook op het niveau van de hersenen moet het ‘of’ /‘of’ een ‘zowel-alsook’ worden, moet het ‘na-elkaar’ veranderen in een ‘tegelijkertijd’.
Het gelijktijdig kunnen beschikken over de mogelijkheden van de beide hersenhelften zou dan het lichamelijke correlaat van de verlichting zijn. Het is hetzelfde proces dat wij al aan de hand van ons horizontale bewustzijnsmodel beschreven: pas, wanneer het subjectieve bovenbewustzijn één wordt met het objectieve onbewuste is heel-zijn bereikt.
De polariteit van ons bewustzijn plaatst ons voortdurend voor twee mogelijkheden om te handelen en dwingt ons – als wij tenminste niet in de apathie willen verblijven – om een keuze te maken. Er zijn altijd twee mogelijkheden, maar wij kunnen thans slechts een ervan realiseren. Dus blijft bij iedere handeling de tegenpolaire mogelijkheid onverwerkelijkt.
Toch blijft het ergerlijk, dat niet alle mensen dezelfde maatstaven hebben voor wat goed en juist is. En dus begint iedereen niet alleen zijn eigen waarderingsmaatstaven te verdedigen, maar ook zoveel medemensen als mogelijk is, te overtuigen van deze waarden.
Toch willen alle mensen alleen maar het goede doen. Maar wat is goed? Wat is kwaad? Wat is juist? Wat is verkeerd?
**De enige mogelijkheid om uit dit dilemma te komen is het inzicht, dat er binnen de polariteit geen absoluut, d.w.z. objectief goed of kwaad, juist of verkeerd bestaat.**
Dit dualisme van onverzoenlijke tegenstellingen tussen juist-verkeerd, goed-kwaad, God-duivel, voert ons niet weg uit de polariteit, maar er steeds dieper in.
De oplossing ligt alleen in dat derde gezichtspunt, van waaruit gezien alle alternatieven, alle mogelijkheden, **alle polariteiten even goed en juist**, resp. even kwaad en verkeerd zijn, **omdat zij delen van de eenheid zijn en daarom hun bestaansrecht hebben.**
Daarom hebben wij bij de wet van de polariteit er met zoveel nadruk op gewezen, dat de ene pool leeft van het bestaan van de andere en alléén juist niet kan bestaan. Zoals de inademing leeft van de uitademing, leeft ook het goede van het kwade, de vrede van de oorlog, de gezondheid van de ziekte. Maar ondanks dat laten de mensen zich niet weerhouden om altijd slechts één pool te willen hebben en de andere te bestrijden.
**Er is in dit universum niets onrechtmatig, maar wel veel, waarvan de individuele mens de rechtmatigheid nog niet zien kan.** Alle inspanningen van de mens hebben wezenlijk slechts dit ene doel: de samenhang van alles beter te leren zien – wij noemen dat:
bewuster worden –, maar zij dienen niet ertoe om de dingen te veranderen.** Er is helemaal niets te veranderen en te verbeteren – behalve de eigen wijze van zien.**
De mens leeft reeds lang in de illusie dat door zijn activiteit, door zijn handelen de wereld veranderd, gevormd en verbeterd wordt. Dit geloof is een optisch bedrog en berust op de projectie van de eigen verandering.
Evolutie laat niet iets nieuws ontstaan, maar laat het eeuwig zijnde stap voor stap bewust worden.
**Wijsheid, volmaaktheid, bewustheid betekenen: al het zijnde in zijn gelding en harmonie te kunnen herkennen en beschouwen.**
De illusie van de verandering ontstaat door de polariteit, die het gelijktijdige in een na-elkaar, en het zowel – alsook in een of-of splitst. Zo noemen de oosterse filosofieën de wereld van de polariteit ‘illusie’ of ‘maya’.
**Maar de stappen die tot dit inzicht (‘ontwaken’) leiden, moeten worden gezet in deze polaire wereld.**
Zoals de uitademing een inademing afdwingt, waken door slapen wordt afgewisseld en omgekeerd, dwingt iedere realisatie van een pool de tegenpool om te verschijnen. De wet van de complementariteit zorgt dat alle veranderingen in onveranderlijkheid samenvallen.
**Het is belangrijk voor onze nog volgende uiteenzettingen, dat wij de innige verbinding van twee polen begrijpen en inzien, dat het onmogelijk is om een pool te behouden, terwijl wij de andere afschaffen. Maar toch zijn de meeste activiteiten van de mensen gericht op deze onmogelijkheid: men wil gezondheid hebben en bestrijdt ziekte, men wil de vrede bewaren en daarom de oorlog afschaffen, men wil leven en daartoe de dood overwinnen. Het blijft imponerend om te zien, hoe een paar duizend jaren van vergeefse pogingen de mens nauwelijks doen twijfelen aan de juistheid van zijn opvattingen. Wanneer wij pogen om een pool eenzijdig te versterken, groeit ongezien de tegenpool evenredig mee. Juist de geneeskunde is hiervan een goed voorbeeld: terwijl men steeds meer voor de gezondheid deed, groeide de ziekte in dezelfde mate mee.**
**Wij moeten leren bij alles wat wij beschouwen, tegelijkertijd ook de tegenpool mee in ogenschouw te nemen.**
### 3\. De schaduw
De mens zegt ‘ik’ en verstaat daaronder om te beginnen een groot aantal identificaties.
Aan dergelijke identificaties gingen ooit beslissingen vooraf, die tussen telkens twee mogelijkheden een keuze betekenden: **een pool werd geïntegreerd en de andere pool werd uitgesloten.** Zo sluit de identificatie ‘Ik ben actief en een harde werker’, tegelijkertijd uit: ‘Ik ben passief en lui.’.
Zo houdt iedere identificatie die op een beslissing berust, een pool buiten de deur. Maar alles wat wij niet zijn, wat wij niet in ons zelf willen aantreffen, wat wij niet beleven willen, wat wij niet in onze identificatie willen opnemen, vormt onze schaduw. Want de afwijzing van de helft van alle mogelijkheden doet haar beslist niet verdwijnen, maar verbant deze helft slechts uit de ik-identificatie of uit het bovenbewustzijn.
**De afgewezen pool leeft vanaf het moment van de afwijzing in de schaduw van onze bewustheid verder.**
Op die manier staat men de ene pool (bijvoorbeeld hard werken) toe in het licht van het bewustzijn te treden, terwijl zijn tegenpool (luiheid) in het donker moet blijven, opdat men hem niet ziet. Uit het niet-zien concludeert men dan al snel een niet-hebben en gelooft men dat het ene zonder het andere kan bestaan. **Wij noemen dus ‘schaduw’ **(dit begrip werd voor het eerst door C. G. Jung gebruikt) **alle afgewezen mogelijkheden van de werkelijkheid, die de mens bij zich zelf niet ziet of niet zien wil, en die hem daarom onbewust zijn.**
Alle manifestaties die uit zijn schaduw voortkomen, projecteert de mens op een anoniem kwaad in de wereld, omdat hij vreest de werkelijke bron van al het onheil bij zichzelf te vinden.
Verder moeten wij ons realiseren, dat de buitenwereld uit dezelfde archetypische principes is opgebouwd als de wereld in ons. De wet van de resonantie zegt dat wij slechts in contact kunnen komen met datgene, waarvoor wij een resonantieruimte hebben.
Projectie betekent dus dat wij van de ene helft van de principes een buiten-ons maken, omdat wij hen binnen-ons niet willen accepteren.
Wanneer de schaduw echter uit al die principes bestaat, die het ‘ik’ niet wilde integreren, dan zijn uiteindelijk schaduw en buiten identiek. Wij beleven onze schaduw altijd als een buiten-ons, zouden wij haar in en bij ons zien, dan was zij niet meer de schaduw. De afgewezen principes, die nu schijnbaar van buiten op ons afkomen, bestrijden wij nu in die buitenwereld net zo heftig als wij het in ons innerlijk gedaan hebben. Wij blijven proberen de door ons als negatief gewaardeerde gebieden uit de wereld te helpen. **Maar omdat dit onmogelijk is – zie de wet van de polariteit! – wordt deze poging een permanente activiteit, die gegarandeerd ervoor zorgt, dat wij met dit afgewezen deel van de werkelijkheid bijzonder intensief bezig zijn.** Hierin ligt een ironische wetmatigheid, waaraan niemand zich kan onttrekken: de mens houdt zich het meest bezig met dat wat hij niet wil. Daarbij komt hij op den duur zo dicht bij het afgewezen principe, dat hij het ten slotte gaat beleven.
De interessante en belangrijke levensgebieden voor een mens zijn die, welke hij bestrijdt en vermijdt – want zij ontbreken in zijn bewustzijn en maken hem onvolledig. Alleen die principes in de buitenwereld kunnen een mens problemen geven, die hij niet bij zichzelf heeft geïntegreerd.
De wereld om ons heen is als een spiegel, waarin wij altijd slechts onszelf zien, maar dus ook (en duidelijk) onze schaduw, waarvoor wij bij onszelf blind zijn.
Kennis heeft de polariteit nodig.
Maar de reflectie heeft slechts nut voor die mens, die zich ook herkent in de spiegel – anders wordt zij een illusie.
**Wie in deze wereld leeft, maar niet beseft dat alles wat hij waarneemt en beleeft, hij zelf is, verstrikt zich in begoocheling en illusie.**
De schaduw is de som van alles, waarvan wij tot in het diepst van ons hart overtuigd zijn, dat het uit de wereld moet worden geholpen, opdat deze goed en heel kan worden. Maar juist het tegendeel is het geval: de schaduw heeft als inhoud alles wat de wereld – onze wereld – ontbreekt om heel te worden.
**De schaduw maakt ziek – de confrontatie met de schaduw heel. Dat is de sleutel tot het begrip van ziekte en genezing.** Een symptoom is altijd een in de materie gezonken schaduwgedeelte.
In het symptoom beleeft de mens datgene, wat hij in het bewustzijn niet beleven wilde.
**Wanneer een mens weigert een principe in zijn bewustzijn te beleven, dan zinkt dit principe in het lichaam en verschijnt daar als symptoom. Dit dwingt de mens het afgewezen principe toch te beleven en te realiseren.** Op deze wijze maakt het symptoom de mens heel – het is het lichamelijke surrogaat voor datgene wat de ziel mankeert.
Juist in het symptoom zouden wij ons zelf kunnen leren kennen, zouden wij naar die zijden van onze ziel kunnen kijken, die wij zonder meer bij onszelf nooit zouden ontdekken, omdat zij in de schaduw liggen.
**Samenvattend gezegd: **
- De mens als microkosmos is een afbeelding van het universum en bevat de som van alle zijnsprincipes latent in zijn bewustzijn.
- De weg van de mens door de polariteit eist van hem deze in hem latent aanwezige principes door concreet handelen te verwerkelijken, om daardoor stap voor stap zich van hun bestaan bewust te worden.
- Kennis echter kan niet bestaan zonder polariteit, en deze dwingt op haar beurt de mens voortdurend om te kiezen.
- Iedere keuze verdeelt de polariteit in een geaccepteerd deel en in een afgewezen pool.
- Het geaccepteerde deel wordt in gedrag omgezet en zodoende bewust geïntegreerd. De afgewezen pool komt in de schaduw terecht en dwingt ons ook in het vervolg er aandacht aan te schenken, doordat zij schijnbaar van buitenaf weer op ons toekomt.
- Een specifieke en vaak voorkomende vorm van deze algemene wet is de ziekte. Bij dit verschijnsel zinkt een deel van de schaduw in de lichamelijkheid en wordt somatisch als symptoom.
- Dit symptoom dwingt ons via het lichaam het vrijwillig niet beleefde principe toch te realiseren en brengt de mens op deze wijze weer in evenwicht.
- Het symptoom is de somatische verdichting van datgene wat ons in het bewustzijn ontbreekt.
- Het symptoom maakt de mens eerlijk, omdat het verdrongen inhouden zichtbaar maakt.
### 4\. Goed en kwaad
De schaduw bevat alles wat de mens als kwaad herkende – en dus moet ook de schaduw kwaad zijn. Dus lijkt het niet alleen gerechtvaardigd, maar zelfs ethisch en moreel noodzakelijk om de schaduw waar en hoe hij zich ook manifesteert, te bestrijden en uit te roeien. Ook hier is de mens zo zeer in de ban van een schijnbare logica, dat hij niet merkt dat zijn verheven doel moet mislukken, omdat de uitroeiing van het kwaad niet functioneert.
De consequentie van onze beschouwingen over de wet van de polariteit is echter, **dat goed en kwaad twee aspecten van een en dezelfde eenheid zijn en daarom voor hun bestaan van elkaar afhankelijk**. Het goede leeft van het kwade en het kwade van het goede – wie bewust het goede voedt, voedt onbewust ook het kwaad.
Zo vertelt het eerste scheppingsverhaal uitsluitend over polariseringen.
De totale, hele mens wordt verdeeld en gesplitst in twee formeel te onderscheiden aspecten, die man en vrouw worden genoemd. Maar deze splitsing dringt nog niet helemaal door tot in het bewustzijn van de mens, want zij kennen hun onderscheid nog niet, maar zijn altijd nog in de volledigheid van het paradijs. Maar deze formele splitsing is noodzakelijk om de verleiding van de slang mogelijk te maken.
De slang houdt haar belofte. De mensen worden ziende voor de polariteit en kunnen goed en kwaad, man en vrouw onderscheiden. **Met deze stap verliezen zij de eenheid (kosmisch bewustzijn) en krijgen zij de polariteit (kenvermogen)**. Zo is het onvermijdelijk dat zij het paradijs, de tuin van de eenheid, moeten verlaten en neerstorten in de polaire wereld van de materiële vormen.
De zonde van de mens is de afzondering van de eenheid. Zonde en af-zondering zijn taalkundig verwant.
Zondig-zijn is een ander woord voor polair-zijn.
De mens treft zichzelf aan met een polair bewustzijn – hij is zondig. Daarvoor is geen oorzaak in de causale betekenis aan te wijzen. **Deze polariteit dwingt de mens om zijn weg te gaan door de tegenstellingen heen, tot hij alles geleerd en geïntegreerd heeft om weer ‘volmaakt te worden**, zoals de vader in de hemel volmaakt is’. De weg door de polariteiten sluit echter altijd het schuldig worden in.
In de loop van de geschiedenis heeft de kerk het zondebegrip misvormd en de mensen aangepraat, dat zonde kwaad doen is en door goed en gerecht handelen te vermijden zou zijn. **Zonde is echter niet een pool binnen de polariteit, maar de polariteit zelf.** **Daarom is zonde niet te vermijden – ieder menselijk handelen is schuldig.**
De voortdurende poging van de gelovigen om niet te zondigen en het kwaad te vermijden, leidde tot de verdringing van bepaalde als kwaad geclassificeerde gebieden en zo tot een sterke schaduwvorming.
God is de eenheid, die alle polariteit ongescheiden in zich verenigt – vanzelfsprekend ook ‘goed’ en ‘kwaad’ – de duivel daarentegen is de polariteit, de heer van de tweedracht.
In deze terminologie gesproken betekent dat: de polaire wereld is duivels, d.w.z. zondig.
Echte filosofie weet dat men in een polaire wereld niet slechts één pool kan verwerkelijken – in deze wereld moet ieder mens alle ervaren vreugde met een zelfde hoeveelheid leed in evenwicht brengen.
Let wel, als wij iets ‘duivels’ noemen, dan betekent dat beslist niet dat wij iets slecht willen maken, maar wij moeten eraan wennen dat begrippen als zonde, schuld, duivel heel simpel betrekking hebben op polariteit en dus alles, wat daar deel van uitmaakt zo kan worden genoemd. Wat de mens ook doet – hij wordt schuldig, resp. zondig. Het is belangrijk, dat de mens leert leven met deze, zijn schuld – anders wordt hij tegenover zichzelf oneerlijk. **De verlossing van de zonde is het bereiken van de eenheid – maar deze eenheid bereiken, is niet mogelijk voor de mens die probeert de ene helft van de werkelijkheid te vermijden. **Dat nu maakt de weg naar het heil (= heel-zijn, eenheid) zo moeilijk – dat men door de schuld heen moet.
In de Bergrede verheft en relativeert Hij de Mozaïsche wet, die eveneens was verminkt doordat zij letterlijk werd opgevat, door erop te wijzen dat reeds een gedachte hetzelfde gewicht heeft als de omzetting in de daad. Men moet niet over het hoofd zien, dat door deze uitleg in de Bergrede de geboden niet werden verscherpt, maar de illusie werd ontmaskerd dat in de polariteit zonde te vermijden zou zijn.
**Deze tweespalt die de polariteiten in tegenstellingen splijt, is het kwade, en ondanks dat de noodzakelijke omweg om tot inzicht te komen.** Wij hebben om te kennen altijd twee polen nodig, maar wij zouden niet mogen blijven steken in hun tegengesteldheid, maar hun spanning als aansporing en energie gebruiken op onze weg naar de eenheid.
Het lijkt ons van het grootste belang, dat de mens leert om zijn schuld te accepteren, zonder zich door haar te laten verpletteren. De schuld van de mens is van metafysische aard en wordt juist niet door zijn handelen veroorzaakt, veeleer is de noodzakelijkheid om te moeten beslissen en te handelen de zichtbare uitdrukking van zijn schuld. Het bekennen van de schuld maakt ons vrij van de angst om schuldig te worden.
Men ontkomt niet aan de zonde door zich in te spannen om het goede te doen – wat altijd betaald moet worden met de verdringing van de daarbij behorende tegenpool.
**Niet uit de weg gaan, maar verlossen door te beleven is de aan ons gestelde eis.** Daarvoor is het noodzakelijk de onveranderlijkheid van onze waardesystemen telkens weer in twijfel te trekken, om te leren beseffen dat het geheim van het kwaad uiteindelijk is, dat het in werkelijkheid niet bestaat.
**Het kwaad is daarom geenszins het tegendeel van het goede, maar de polariteit als zodanig is het kwaad, is de zonde**, omdat de wereld van de tweeheid geen eindpunt heeft en dus geen eigen existentie bezit.
Alleen al het kijken naar de inhouden van de schaduw brengt licht in de duisternis en is voldoende om het onbewuste bewust te maken.
**Naar iets willen kijken is de grote toverformule op de weg naar zelfkennis.** Dit kijken-naar verandert de kwaliteit van datgene waarnaar wij kijken, omdat het licht, d.w.z. bewustheid in de duisternis brengt. **De mensen willen altijd de dingen veranderen en kunnen daarom moeilijk begrijpen, dat het enige wat van de mens gevraagd wordt, het vermogen is om goed te kijken. Het hoogste doel van de mens – wij kunnen het wijsheid of verlichting noemen – bestaat in het vermogen om naar alles te kunnen kijken en te begrijpen dat het goed is, zoals het is. Dit wordt bedoeld met echte zelfkennis. Zolang ons mensen nog iets stoort en zolang wij nog iets menen te moeten veranderen, hebben wij de zelfkennis nog niet bereikt.**
Wij moeten leren naar de dingen en gebeurtenissen van deze wereld te kijken, zonder dat ons ego ons onmiddellijk in sympathie of antipathie verstrikt; **wij moeten leren met een rustig gemoed te kijken naar de veelsoortige spelen van Maya.**
En alweer is de mens gevangen geraakt in de illusie van de weerspiegeling, want hij gelooft dat de wereld onvolkomen is en merkt niet, dat het alleen zijn onvolkomen blik is, die hem verhindert de volkomenheid te zien.
**Daarom moeten wij leren in alles onszelf te herkennen en vervolgens ons te oefenen in gelijkmoedigheid.** Want gelijkmoedigheid betekent het midden van de polariteiten opzoeken en van daaruit kijken naar het pulseren van de polen. De gelijkmoedigheid is de enige houding, die het mogelijk maakt te kijken naar de verschijningsvormen, zonder een waarde-oordeel uit te spreken, zonder een hartstochtelijk ja of nee, zonder identificatie. Deze gelijkmoedigheid moet men niet verwarren met die houding, die men gewoonlijk onverschilligheid noemt, de indifferentie die een mengeling is van onbewogenheid en ongeïnteresseerdheid, en waarover Jezus het heeft als hij spreekt over de ‘lauwen’. Deze mensen begeven zich nooit in een conflict en geloven dat zij door verdringing en vlucht die volkomen wereld kunnen bereiken, die de oprecht zoekende mens met hard werken bereikt, doordat hij de aanwezigheid van het conflict in zijn bestaan erkent en er niet voor terugschrikt bewust, d.w.z. lerend door deze polariteit heen te gaan om haar te overwinnen.
Want hij weet, dat hij ooit eens de tegenstellingen moet verenigen, die zijn ‘ik’ geschapen heeft. Hij schrikt niet terug voor de noodzakelijke beslissingen, ook wanneer hij weet dat hij daardoor altijd schuldig wordt – maar hij spant zich in om niet daarin te blijven steken.
Vlucht uit de wereld en ascese zijn de meest ongeschikte reacties om dit doel te bereiken. Veeleer is er moed nodig om bewust en onverschrokken de uitdagingen van het leven tegemoet te treden.
**Het is echt niet zo belangrijk wat de mens doet, maar hoe hij het doet.**
- Handelt hij bewust?
- Is zijn ego daarbij betrokken?
- Handelt hij zonder dat zijn ‘ik’ deelneemt?
Het zijn de antwoorden op deze vragen die uitmaken of iemand zich door zijn handelen vastlegt of vrij wordt.
Het instrument om de tegenstellingen te verenigen heet liefde. **Het principe van de liefde is het zich openstellen en het binnenlaten van iets, dat tot dan toe buiten was.**
**Liefde betekent ja zeggen, zonder beperking en zonder voorwaarde.** De liefde wil één worden met het hele universum – zolang ons dat niet lukt, hebben wij de liefde nog niet verwerkelijkt. Zolang liefde nog uitkiest, is zij geen echte liefde, want liefde scheidt niet, maar een keuze betekent afscheiden. Liefde kent geen jaloezie, want zij wil niet bezitten, zij wil zich uitgieten!
### 5\. De mens is ziek
**Wij zouden daarentegen onze blik willen trainen voor het gegeven, dat ziekte meer is dan een functionele onvolkomenheid van de natuur. Zij is onderdeel van een omvattend regelsysteem ten dienste van de evolutie. De mens kan niet van ziekte bevrijd worden, omdat de gezondheid het ziek-zijn als tegenpool nodig heeft.**
De mens is ziek omdat hem de eenheid ontbreekt.
**Ziek-zijn betekent de toestand van de onvolkomenheid**, de vatbaarheid, de kwetsbaarheid, de sterfelijkheid. Bij een meer nauwkeurige beschouwing is het dan ook verbazingwekkend om te zien wat de ‘gezonde mensen’ allemaal mankeert.
Wij zouden de illusie moeten laten varen, dat men ziekte kan vermijden of uit de wereld helpen. De mens is een wezen dat het conflict kent en dus ook ziek is.
Het ‘ik’ leeft van de afgrenzing en is bang voor de overgave, voor de liefde en voor de eenwording. Het ‘ik’ beslist en verwerkelijkt één pool en schuift de ontstane schaduw af op het ‘buiten’, het jij, de omringende wereld. De ziekte compenseert al deze
eenzijdigheden, doordat zij de mens in dezelfde mate waarin hij éénzijdig van het midden afwijkt, door de symptomen terugdringt naar de tegenovergestelde zijde. **De ziekte compenseert iedere stap die de mens vanuit de hybris van het ego zet, door een stap in de ootmoed en hulpeloosheid.** Zo ook maakt iedere gave en ieder vermogen de mens vatbaar voor het ziek-zijn.
Ziek-zijn hoort bij gezondheid, zoals de dood bij het leven.
Zo zal hij, die het waagt en verdraagt ziekte, lijden en dood als onvermijdelijke en trouwe metgezellen in zijn bestaan te herkennen, al gauw ervaren dat dit besef bepaald niet uitmondt in de hopeloosheid, maar veeleer zal hij ontdekken dat deze metgezellen behulpzame en wijze vrienden zijn, die hem voortdurend helpen bij het vinden van zijn ware en heilbrengende weg.
**Onze symptomen zijn niet om te kopen – zij dwingen ons tot eerlijkheid. Zij maken door hun bestaan duidelijk, wat ons in werkelijkheid nog ontbreekt, wat wij niet tot zijn recht laten komen, wat in de schaduw ligt en gerealiseerd wil worden en waar wij eenzijdig zijn geworden.**
Wij hebben al gezegd, dat noch preventieve geneeskunde, noch ‘gezond leven’ als methoden van ziektepreventie kans van slagen hebben. Kans van slagen zou er echter zijn, wanneer wij ons wilden bezinnen op een oude wijsheid die zegt, dat voorkomen beter dan genezen is. Maar dan moeten wij letterlijk willen verstaan: **voor-komen betekent vrijwillig aanwezig willen zijn, voordat de ziekte ons daartoe dwingt.**
De ziekte maakt dat de mens ge-heeld kan worden. Ziekte is het keerpunt, waarop onheil zich in heil (= heel) laat veranderen. Opdat dit kan gebeuren moet de mens ophouden met vechten en in plaats daarvan leren horen en zien wat de ziekte hem heeft te vertellen.
Hij moet bereid zijn de opvattingen en beelden, die hij van zichzelf heeft, onverbiddelijk in twijfel te trekken. Hij moet proberen bewust te integreren, wat het symptoom op het lichamelijk vlak hem tracht duidelijk te maken. **Hij moet dus het symptoom overbodig maken door in zijn bewustzijn toe te laten wat hem ontbreekt.** Genezing, ge-heeld worden, is altijd verbonden met bewustzijnsverruiming en rijping.
### 6\. De speurtocht naar de oorzaken
Het is voor de mens vanzelfsprekend geworden alle ontwikkelingen die hij kan waarnemen, causaal te interpreteren en verreikende causale samenhangen te construeren, waarin oorzaak en gevolg duidelijk met elkaar in verband staan.
Het causale denkschema lijkt zo overtuigend en zelfs stringent, dat het merendeel van de mensen het als een noodzakelijke voorwaarde van het menselijk kenvermogen beschouwt. Zo zoekt men overal naar alle mogelijke oorzaken voor de meest uiteenlopende manifestaties en men hoopt op die manier niet alleen meer helderheid te verkrijgen over allerlei samenhangen, maar ook de mogelijkheid om in deze causale ontwikkelingsgangen sturend te kunnen ingrijpen.
Nu is echter de causaliteit helemaal niet zo probleemloos en stringent als het bij een oppervlakkige beschouwing lijkt.
Zo maakt men een onderscheid tussen
- de causa efficiens, de bewerkende oorzaak,
- de causa materialis, dat is de oorzaak die in het materiaal, resp. in de stoffelijkheid gelegen is,
- de causa formalis, de oorzaak van de vormgeving en ten slotte
- de causa finalis, de op een doel gerichte oorzaak, die uit de doelstelling voortkomt.
Zo is het beschreven conflict een uitwerking van de volgende polariteiten:

Het zou nuttig zijn als wij hier alles wat wij over polariteit gezegd hebben, praktisch zouden toepassen. Dan konden wij het of-of inruilen voor het zowel-alsook, en daardoor beseffen, dat beide zienswijzen elkaar niet uitsluiten, maar aanvullen.
- Ligt de definitieve oorzaak van het menselijk bestaan in de keten van oorzakelijkheden in het verleden en is ons zo-zijn daarom het toevallige resultaat van de ontwikkelingssprongen en selectieve processen vanaf het waterstofatoom tot aan de grote hersenen van de mens?
- Of heeft deze helft van de causaliteit nog de planmatigheid, de doelgerichtheid nodig, die vanuit de toekomst terugwerkt en op die manier de evolutie een vooropgezet doel tegemoet doet gaan?
Voor de natuurwetenschappers is dit tweede aspect ‘te veel, te hypothetisch’, voor de beoefenaren van de geesteswetenschappen is het eerste aspect ‘te weinig en te arm’.
Wanneer het ons langzamerhand bewust wordt, dat zowel tijd als lineaire structuur buiten ons bewustzijn niet bestaan, wordt ook onvermijdelijk het denkmodel van de causaliteit in zijn absoluutheid ontkracht. **Het wordt duidelijk dat ook de causaliteit slechts een bepaalde subjectieve beschouwingswijze van de mens is**.
Er bestaat weliswaar geen reden om de wereld niet causaal te beschouwen – maar er bestaat evenmin een reden om de wereld causaal te interpreteren.
De vraag die oplossing brengen kan in dit probleem, moet ook hier niet luiden: goed of fout? Maar kan op zijn hoogst in een op zichzelf staand geval zijn: geschikt of ongeschikt?
Overal waar wij met relatief kleine fragmenten van de wereld te maken hebben en altijd wanneer gebeurtenissen voor ons overzienbaar blijven, kunnen wij ons met onze voorstelling van tijd, lineaire structuur en causaliteit in ons dagelijks leven heel goed redden. Maar worden de dimensies groter, of het niveau waarop een probleem opgelost moet worden hoger, dan leidt de causale wijze van zien eerder tot onzinnige conclusies dan tot inzicht.
**De oer-oorzaak van alle oorzaken kan niet worden gevonden. Ofwel men houdt op een willekeurig gekozen punt aangekomen, met vragen op, of men belandt in een niet op te lossen probleem, dat nooit zinvoller kan zijn dan de bekende vraag wie er het eerste was: de kip of het ei.**
Wij zouden duidelijk willen maken, dat het begrip van de causaliteit in het gunstigste geval als hulpmiddel van het denken in het dagelijks leven bruikbaar kan zijn, maar absoluut ontoereikend en onbruikbaar is als instrument om wetenschappelijke, filosofische en metafysische samenhangen te begrijpen. Het geloof dat er causale werkingssamenhangen bestaan is onjuist, want dit geloof is gebaseerd op het axioma van de lineaire structuur en de tijd. Kunnen wij echter toegeven, dat causaliteit een mogelijke (en daarmee een onvolledige) subjectieve zienswijze van de mens is, dan is ook weer legitiem om haar daar te gebruiken, waar zij in ons leven dienstig lijkt.
Dit verbeten vasthouden van een causale interpretatie heeft ons zicht op de wereld en ons kenvermogen in enorme mate beperkt.
Tijd en ruimte zijn de beide coördinaten die de wereld van de polariteit, de wereld van de begoocheling, Maya, bepalen – doorzien dat zij niet bestaan is voorwaarde om de eenheid te kunnen bereiken.
In deze polaire wereld is de **causaliteit **dus een standpunt van ons bewustzijn van waaruit ontwikkelingen worden geïnterpreteerd, **het is de denkwijze van de linkerhersenhemisfeer**.
**De rechterhemisfeer kent echter geen causaliteit, zij denkt analoog.** Met de analogie hebben wij die tweede, ten opzichte van de causaliteit polair gerichte zienswijze gevonden, die niet juister of onjuister, niet beter of slechter is, maar de noodzakelijke aanvulling van de eenzijdigheid der causaliteit vormt. **Alleen samen – causaliteit en analogie – kunnen zij een coördinatensysteem uitspreiden, waarin onze polaire wereld zinvol kan worden geïnterpreteerd.**
Leidt causaliteit tot steeds grotere differentiëring, analogie vat veelvoudigheid samen tot volledige patronen.
Zo krijgen opeens de positieve elektrische pool, de linkerhersenhelft, de zuren, de zon, het vuur, het Chinese yang iets met elkaar te maken, hoewel er tussen hen geen causale verbindingen bestaan.
Deze wijze van zien moet net zo aangeleerd worden als de causale beschouwingswijze. Maar eenmaal geleerd, gaat dan ook een hele andere zijde van de wereld open en worden samenhangen en patronen zichtbaar, die voor de causale blik onzichtbaar zijn.
### 7\. Wat en hoe moeten wij vragen?
Wij willen veel meer een bepaalde wijze van zien en denken doorgeven, die het de geïnteresseerde lezer mogelijk maakt, naar ziekte te kijken bij zichzelf en zijn medemensen op een volstrekt andere manier, dan hij gewend is.
Alleen uit de ontwikkeling van het eigen vermogen om te interpreteren kan profijt getrokken worden, omdat de al gegeven interpretatie hoogstens een kader verschaft, maar het op zichzelf staande geval nooit helemaal in al zijn facetten recht kan doen.
#### De causaliteit in de geneeskunde
Wij menen daarentegen, dat de speurtocht naar de ziekteoorzaken de geneeskunde en de psychologie op een dood spoor heeft gebracht. Weliswaar zal men zolang men blijft zoeken, altijd oorzaken vinden, maar het geloof in de causaliteit blokkeert het inzicht, dat de gevonden oorzaken slechts de uitkomsten zijn van de eigen verwachtingen. In werkelijkheid zijn alle oor-zaken ook alleen maar zaken onder andere zaken. Men kan de opvatting van de causaliteit niet consequent staande houden, omdat de vraag naar de oorzaak op een willekeurig punt afbreekt.
Zo kan men de oorzaak van een infectie vinden in bepaalde verwekkers, maar dan dringt zich de vraag op, waarom in een bepaald geval deze verwekker tot infectie heeft geleid. De oorzaak daarvan kan in een verminderd weerstandsvermogen van het organisme gevonden worden, wat dan weer de vraag doet rijzen, wat de oorzaak van dat verminderd weerstandsvermogen is. Met dit spel kan men oneindig lang doorgaan, want zelfs wanneer men met deze speurtocht naar de oorzaak bij de ‘Big Bang’ is aangekomen, blijft nog steeds de vraag naar de oorzaak van de oerexplosie bestaan...
Het is zonder meer oneerlijkheid, wanneer iemand praat over een oorzaak of over een causale therapie, want de geldende opvatting van de causaliteit maakt – zoals wij hebben gezien – het vinden van een oorzaak onmogelijk.
Men zou wat dichter bij de kern van de zaak komen, als men met de polaire causaliteitsopvatting, waarover wij in het begin van het vorige hoofdstuk spraken, wilde werken. Dan zou een ziekte vanuit twee richtingen, d.w.z. verleden en toekomst worden bepaald. In dat model zou de finaliteit een bepaald symptomatisch beeld verlangen en de bewerkende causaliteit (efficiens) zou de materiële en lichamelijke hulpmiddelen beschikbaar stellen om het finale beeld te verwerkelijken.
Iedere manifestatie wordt door het verleden en de toekomst bepaald. Ziekte vormt daarop geen uitzondering. Achter een symptoom staat een bedoeling, een inhoud, die nu aanwezige mogelijkheden benut om zich formeel te kunnen verwerkelijken. Daarom kan een ziekte alle willekeurige oorzaken als oorzaak inschakelen.
Hier ligt het punt waarop de huidige werkmethode van de geneeskunde vastloopt. Zij gelooft door het wegnemen van de oorzaken ziekte onmogelijk te kunnen maken en houdt er geen rekening mee, dat ziekte flexibel genoeg is in het zoeken en vinden van nieuwe oorzaken om zich te kunnen blijven verwerkelijken.
Zoals al uiteengezet werd, heeft ziekte een bedoeling en een doel, dat wij tot nu toe in zijn meest algemene en absolute vorm beschreven als ‘geheeld-worden’ in de zin van éénwording. Wanneer wij ziek-zijn ontleden in zijn vele symptomatische uitdrukkingsvormen, die allemaal stappen zijn op de weg naar het doel, **dan kan men ieder symptoom vragen naar zijn bedoeling en informatie, om erachter te komen welke stap nu, op dit moment, door het individu moet worden gezet. **Deze vraag kan en moet bij ieder symptoom worden gesteld en kan niet worden weggewuifd met de verwijzing naar de functionele veroorzaking. Er zijn altijd functionele omstandigheden te vinden – maar evenzo is er altijd een inhoudelijke betekenis.
Of men nu de oorzaak van een storing in bacteriën of in slechte moeders meent gevonden te hebben, is in dit denkschema niet van wezenlijk belang.
Wij echter zijn niet geïnteresseerd in oorzaken van het verleden, want, zoals wij zagen, die zijn er in een willekeurige hoeveelheid en zij zijn allemaal even belangrijk en even onbelangrijk.
De mens bezit een van de tijd onafhankelijk zo-zijn, dat weliswaar in de loop van de tijd door hem moet worden verwerkelijkt en bewust gemaakt. Dit, zijn innerlijk patroon, noemt men het ‘zelf'. De levensweg van de mens is de weg naar dit zelf, dat een symbool van de volledigheid is. De mens heeft ‘tijd’ nodig om deze volledigheid te vinden – maar zij is vanaf het begin aanwezig. Daarin ligt nu juist de illusie van de tijd – de mens heeft tijd nodig om dat te vinden, wat hij al altijd is. (**Wanneer dit betoog niet meer helemaal te volgen is moet men de in deze samenhang gegeven voorbeelden weer in de herinnering terugroepen: In een boek is de hele roman tegelijkertijd aanwezig – maar de lezer heeft tijd nodig om de hele handeling, die er vanaf het begin was, in zichzelf te laten ontstaan!**) Deze weg noemen wij ‘evolutie’. Evolutie is het na-trekken van een altijd (d.w.z. tijdloos) bestaand patroon. Op deze weg naar de zelfkennis komen voortdurend moeilijkheden en vergissingen voor, of – anders gezegd – men kan of wil bepaalde delen van zijn patroon niet zien. Wij noemden dergelijke niet bewuste aspecten de schaduw. **In het ziektesymptoom demonstreert de schaduw zijn aanwezigheid en verwerkelijkt zich.** Om de betekenis van een symptoom te kunnen begrijpen, heeft men beslist niet het begrip van de tijd of het verleden nodig. Het zoeken naar de oorzaken in het verleden leidt af van de eigenlijke informatie, omdat men door de schuldprojectie op de oorzaak de eigen verantwoordelijkheid prijsgeeft.
Een kind heeft nu eenmaal voor de verwerkelijking van zijn problemen ouders, broers en zussen en onderwijzers nodig; de volwassene zijn partner, kinderen en collega’s. De uiterlijke omstandigheden maken een mens niet ziek, maar de mens benut alle mogelijkheden om deze in dienst te stellen van zijn ziekte.
Bacteriën noch aardstralen veroorzaken ziekte, maar de mens gebruikt deze als hulpmiddel om zijn ziek-zijn te verwerkelijken. (Dezelfde uitspraak klinkt ons op een ander vlak veel aannemelijker in de oren: noch verven, noch linnen veroorzaken een schilderij – maar de mens gebruikt deze als hulpmiddelen om zijn schilderij te verwerkelijken.)
**Regel 1:** U moet bij de interpretatie van de symptomen afstand doen van de schijnbaar causale samenhangen op het functionele vlak.
Als het gaat om het kennen van inhouden, is alleen maar belangrijk dat iets is en hoe iets is – niet, waarom iets is.
#### De factor ‘tijd’ bij het optreden van symptomen
Het nauwkeurige tijdstip, waarop een symptoom optreedt, kan belangrijke informatie verschaffen over het probleemgebied, dat zich in het symptoom manifesteert.
- Met welke gedachten, thema’s en fantasieën hield men zich net bezig, toen het symptoom optrad?
- In wat voor een stemming was men?
- Waren er bepaalde berichten, of waren er veranderingen in ons leven gekomen?
Daarbij blijken vaak juist die gebeurtenissen, die mens als onbetekenend en onbelangrijk inschat, in werkelijkheid significant te zijn. Omdat in het symptoom zich immers een verdrongen gebied manifesteert, worden ook alle daarmee samenhangende gebeurtenissen in hun betekenis verdrongen en dienovereenkomstig gekleineerd.
**Het zijn over het algemeen niet de grote dingen in het leven, want daarmee houdt men zich meestal wel bewust bezig. De kleine, onschuldige dingen van alledag zijn echter vaak stimulus voor verdrongen probleemgebieden.** Acute symptomen zoals verkoudheid, misselijkheid, diarree, maagzuur, hoofdpijn, verwondingen en dergelijke reageren in de tijd heel nauwkeurig. Hier is het de moeite waard zich af te vragen, wat men precies op dat moment gedaan, gedacht of gefantaseerd heeft. Wanneer men zichzelf de vraag naar het verband stelt, is het goed het eerste, zich spontaan aandienende idee nauwkeurig te bekijken en niet al te snel als onbelangrijk weer weg te schuiven.
**Regel 2:** U moet het tijdstip waarop een symptoom optreedt, analyseren. Vraag u zelf naar levenssituatie, gedachten, fantasieen, dromen, gebeurtenissen en berichten die het tijdkader voor het symptoom verschaffen.
#### Analogie en symboliek van het symptoom
Om te beginnen is het noodzakelijk een innige relatie met de taal te ontwikkelen en bewust te leren horen wat men zegt. De taal is een grandioos hulpmiddel om dieper gelegen en onzichtbare samenhangen te ervaren.
Bijna iedere zin in het tweede deel van dit boek heeft betrekking op minstens twee niveaus – wanneer verschillende zinnen banaal lijken, dan is dat een zekere aanwijzing voor het feit, dat het tweede niveau, de dubbel-zinnigheid, over het hoofd werd gezien.
De mens heeft voor iedere ervaring en voor iedere stap van zijn bewustzijn de weg via de lichamelijkheid nodig.
Wie geleerd heeft de psychosomatische dubbel-zinnigheid van de taal te horen, constateert met verbazing dat de zieke zijn psychisch probleem meestal al mee-vertelt, terwijl hij praat over zijn lichamelijke symptomen.
(Door Latijnse namen voor ziekten te gebruiken zorgt de officiële geneeskunde er weloverwogen voor, dat via de taal geen inhoudelijke samenhang herkenbaar wordt!).
Behalve het zorgvuldig luisteren naar de dubbelzinnigheid van de taal, is ook het vermogen om analoog te kunnen denken belangrijk. Alleen al de dubbelzinnigheid van de taal zelf berust op analogie.
Analoog denken vereist het vermogen om te kunnen abstraheren, want men moet in de concrete fenomenen het principe kunnen ontdekken, dat zich in die fenomenen uitdrukt en dat principe kunnen overbrengen naar een ander niveau. Zo neemt bijvoorbeeld de huid in het menselijk lichaam o.a. de functie over van de be- en afgrenzing naar buiten. Wil iemand uit zijn vel springen, dan wil hij daarmee grenzen in de lucht doen vliegen en deze op die manier overwinnen. Zo bestaat er een analogie tussen huid en bijvoorbeeld normen, die op psychisch niveau dezelfde functie hebben als de huid op het somatische vlak. Als wij huid en normen ‘gelijkstellen’, dan betekent dat niet identificatie, noch ook causaal verband, maar wij wijzen op **de analogie van het principe**. Op dezelfde manier – zoals wij nog zullen bespreken – komen opgeslagen toxinen (vergiften) in het lichaam overeen met verdrongen conflicten in het bewustzijn. Deze analogie zegt niet dat conflicten toxinen scheppen, of toxinen conflicten verwekken. Maar beide fenomenen zijn analoge manifestaties op een verschillend vlak.
Wanneer wij kijken naar lichamelijke symptomen en deze psychisch interpreteren, willen wij primair de betrokkene helpen zijn blik te richten op dit tot nu toe niet waargenomen gebied, om te concluderen dat het zo is. Dat wat zich in het lichaam vertoont is ook aanwezig in de ziel. **Het gaat er niet om, dat er dadelijk iets veranderd moet worden, of uit de weg geruimd – integendeel; het gaat erom dat wij ‘ja’ zeggen tegen dat wat wij zien, omdat een ‘nee’ dit gebied weer in de schaduw terug zou dringen.**
**Ieder plan, ieder voornemen om iets te veranderen heeft echter het tegenovergestelde effect.** Het voornemen om snel in te slapen is de meest zekere manier om niet in slaap te vallen; maar wanneer wij ons dat niet voornemen, komt de slaap vanzelf. Zonder plan, zonder voornemen zijn betekent hier het juiste midden tussen verhinderen-en-afdwingen. Het is de rust van het midden die het mogelijk maakt, dat iets nieuws gebeurt. Wie vecht of iets najaagt, bereikt nooit zijn doel.
Woorden, noch dingen, noch gebeurtenissen kunnen op zichzelf goed of kwaad, positief of negatief zijn, de waardetoekenning gebeurt door degene die ernaar kijkt.
**Regel 3:** U moet het symptomatisch gebeuren ontdoen van tijden toevalsfactoren, doordringen tot het daaronder liggende principe en dit patroon overbrengen naar het psychisch niveau. Een echt goed luisteren naar de taalkundige formuleringen kan daarbij meestal helpen, omdat onze taal psychosomatisch is.
#### De afgedwongen consequenties
Bijna alle symptomen dwingen gedragsveranderingen af, die men in twee groepen kan verdelen:
- enerzijds verhinderen symptomen dat wij dingen doen, die wij graag zouden doen, en
- anderzijds dwingen zij ons iets te doen, wat wij niet willen doen.
Wanneer wij aannemen dat ziekte een bedoeling en een zin heeft, dan is het juist door die verhinderde en afgedwongen gedragingen mogelijk, opmerkelijke conclusies over de bedoeling van het symptoom te trekken.
Wij daarentegen denken dat het belangrijk is zich door een storing eerst eens echt te laten storen. Een symptoom corrigeert slechts de eenzijdigheden;
- de overactieve mens wordt gedwongen rust te nemen;
- de te beweeglijke mens wordt belemmerd in zijn bewegen;
- de mens die afhankelijk is van communicatie, wordt deze mogelijkheid ontnomen.
**Het symptoom dwingt tot beleving van de niet beleefde pool.** Wij zouden daar meer acht op moeten slaan en vrijwillig afstand doen van datgene wat ons ontnomen wordt, en het afgedwongene aanvaarden.
**Regel 4:** De beide vragen:
- ‘Waarin word ik door het symptoom belemmerd?’ en
- ‘Waartoe word ik door het symptoom gedwongen?’
zullen meestal snel leiden naar de centrale thematiek van de ziekte.
#### De gemeenschappelijke inhoud van tegenpolaire symptomen
Ook uiterlijk tegenpolaire symptomen draaien om een gemeenschappelijk thema.
Ieder extreem wijst met vrij grote zekerheid op een probleem. Zowel de verlegen mens als de snoever mist zelfvertrouwen. De lafaard en de vechtersbaas voelen angst. Slechts in het midden van de extremen zijn er geen problemen.
Een bepaald thema, resp. een probleem, kan zich via verschillende organen en systemen uitdrukken.
#### De trappen van escalatie
de mens blijft in zijn bewustzijn zolang on-volkomen, totdat hij de schaduw heeft geïntegreerd. Daarbij is het lichamelijke symptoom een noodzakelijke omweg, maar nooit de oplossing. De mens kan alleen in zijn bewustzijn leren, rijpen, ervaren en beleven. Ook als voor een dergelijke ervaring het lichaam een noodzakelijke voorwaarde is, moet men toch beseffen dat het waarnemings-en verwerkingsproces zich in het bewustzijn afspeelt.
**Concreet toegepast op ziekte betekent dit, dat een symptoom het probleem op het lichamelijk vlak niet kan oplossen, maar alleen de voorwaarde voor een stap in dit leerproces scheppen kan.**
Analoog hieraan vormt ook ieder symptoom een aansporing en een mogelijkheid om het eigenlijke, daarachter liggende probleem te zien en te begrijpen. Wanneer dit niet gebeurt, omdat men bijvoorbeeld volledig in de projectie vastzit en het symptoom als een toevallige, functioneel bepaalde storing beschouwt, dan zullen de aansporingen om te gaan begrijpen niet alleen blijven komen, maar zij zullen ook steeds intenser worden.
Hieronder treft u in een tabel een overzicht aan van zeven escalatie-trappen:
- 1\. uitdrukking van de psyche (gedachten, wensen, fantasieën)
- 2\. functionele storingen
- 3\. acute lichamelijke storingen (ontstekingen, verwondingen, kleine ongevallen)
- 4\. chronische storingen
- 5\. ongeneeslijke processen, veranderingen van de organen, kanker
- 6\. dood (door ziekte of ongeval)
- 7\. aangeboren misvormingen en storingen (karma).
**Iedere door infectie veroorzaakte ziekte betekent een heel actuele aansporing om iets te begrijpen en wil – zoals wij in het tweede deel van dit boek uitvoerig laten zien – een onbewust conflict zichtbaar doen worden.** Wanneer deze bedoeling niet slaagt – uiteindelijk staat onze wereld niet alleen vijandig tegenover het conflict, maar ook tegenover de infectie – veranderen die acute ontstekingen in een chronische vorm.
Met de laatste trap van escalatie: de aangeboren storingen en gebreken, mondt de horizontale lijn weer uit in het begin. Want wat men tot aan zijn dood niet heeft begrepen, neemt het bewustzijn als probleem mee in de volgende incarnatie.
Met een **voorbeeld **willen wij deze samenhang verduidelijken: Een mens ontwaakt op de morgen van een willekeurige dag. Het is voor hem een nieuwe dag en hij beslist deze dag slechts dat te doen, waar hij zelf zin in heeft. Maar niet onder de indruk van dit voornemen verschijnt al in de morgen de deurwaarder en eist geld terug, hoewel onze mens op deze dag aantoonbaar nog geen cent heeft uitgegeven of geleend. De mate waarin hij over het gebeuren verbaasd is, hangt af van het feit, of hij bereid is zijn identiteit uit te breiden over al die dagen, maanden en jaren, die aan deze dag voorafgingen, of dat hij zich slechts met de huidige, nieuwe dag wil identificeren. In het eerste geval zal hij niet verbaasd zijn over de deurwaarder, noch ook zich verwonderen over zijn lichamelijke gesteldheid en andere levensomstandigheden, die hij op deze nieuwe dag aantreft. Hij zal begrijpen, dat hij de nieuwe dag niet zo kan besteden als hij wil, omdat de continuïteit tot nu toe, ondanks de onderbreking door nacht en slaap, ook tot in deze nieuwe dag doordringt. Zou hij die onderbreking van de nacht als aanleiding gebruiken om zich alleen nog maar met de nieuwe dag te identificeren en daardoor het verband met de tot nu toe gegane weg verloren hebben, dan moeten alle genoemde manifestaties grote onrechtvaardigheden lijken en toevallige en willekeurige doorkruisingen van zijn plannen. **Wanneer men in dit voorbeeld de dag door leven en de nacht door dood vervangt, wordt duidelijk dat er een zeer verschillend wereldbeeld ontstaat, naar gelang men de reïncarnatie accepteert of afwijst.**
Als de mens zich echter bewust wordt, dat dit leven slechts een uiterst klein gedeelte is, geknipt uit de zeer lange weg, die hij lerend moet afleggen, dan zal het makkelijker zijn om de zeer onderscheiden uitgangsposities, waarin mensen hun leven beginnen, als wettig en zinvol te erkennen, dan wanneer men uitgaat van de hypothese, dat ieder leven als eenmalige existentie door toevallige vermenging van genetische prestaties ontstaat.
Voor ons thema is het voldoende dat wij ons ervan bewust worden dat de mens wel met een nieuw lichaam, maar met een oud bewustzijn ter wereld komt. De meegebrachte stand van het bewustzijn is de uitdrukking van de tot dan opgedane levenservaring. **Zodoende brengt de mens dus ook zijn specifieke problemen mee en gebruikt vervolgens de omringende wereld om deze te realiseren en te bewerken.** Een probleem kan in dit leven niet ontstaan, maar slechts zichtbaar worden.
Problemen en conflicten zijn net als schuld en zonde essentiële uitdrukkingsvormen van de polariteit en dus a priori aanwezig.
Maar in principe is ieder levend wezen dat deel heeft aan de polariteit, on-volkomen en dus ook ziek.
#### De blindheid voor de eigen problematiek
**Ieder mens moet zich alleen bekommeren om zijn eigen problemen – meer kan hij niet bijdragen aan de ver-volmaking van het universum.**
Bij de beschouwing van uw eigen symptoom, zult u zeer waarschijnlijk vaststellen, dat in dit ‘zeer speciale geval’ de interpretatie beslist niet klopt, ja, dat zelfs het tegendeel het geval is.
In het symptoom wordt immers een in het bewustzijn ontbrekend principe beleefd. Onze interpretatie noemt dit principe en wijst erop, **dat het toch wel in de mens aanwezig is, maar in de schaduw ligt en daarom niet gezien kan worden. **De patiënt vergelijkt echter een dergelijke uitspraak met zijn bewuste inhouden en constateert dat dit principe er niet is. En dat beschouwt hij dan meestal als het bewijs, dat de interpretatie in zijn geval niet juist is
**Daarbij ziet hij over het hoofd, dat het er nu juist om gaat, dat hij het niet ziet, maar via de omweg van het symptoom zou moeten leren zien!**
Wanneer dus een symptoom de uitdrukking is van agressiviteit, dan heeft de mens juist daarom dit symptoom, omdat hij die agressie óf niet bij zichzelf ziet, óf deze helemaal niet beleeft.
Juiste interpretaties roepen aanvankelijk een soort onpasselijkheid op, een gevoel van angst en daarmee het verzet.
### Samenvatting van de theorie
1. Het menselijk bewustzijn is polair. Dit maakt enerzijds kenvermogen mogelijk, anderzijds maakt het ons on-volledig en onvolkomen.
2. De mens is ziek. Ziekte is een uitdrukking van zijn onvolledigheid en is binnen de polariteit onvermijdelijk.
3. Het ziek-zijn van de mens uit zich in symptomen. Symptomen zijn in de stoffelijkheid neergevallen schaduwgedeelten van het bewustzijn.
4. De mens als microkosmos bevat in zijn bewustzijn alle principes van de macrokosmos. Omdat de mens op grond van zijn vermogen om beslissingen te nemen zich echter slechts met de helft van alle principes identificeert, komt de andere helft in de schaduw terecht en onttrekt zich daardoor aan het bewustzijn van de mens.
5. Een in het bewustzijn niet beleefd principe dwingt via de omweg van het lichamelijksymptoom zijn bestaans- en levensrecht af. **In het symptoom moet de mens altijd dat beleven en verwerkelijken, wat hij eigenlijk niet beleven wilde. **Op deze wijze compenseren de symptomen alle eenzijdigheden.
6. Het symptoom maakt eerlijk!
7. Als symptoom heeft de mens dat, wat hem in het bewustzijn ontbreekt!
8. Genezing (= ge-heeld-worden) is slechts mogelijk, wanneer de mens zich het in het symptoom verborgen schaduwgedeelte bewust maakt en integreert. **Wanneer de mens het hem ontbrekende gevonden heeft, wordt het symptoom overbodig.**
9. Genezing is gericht op volledigheid en eenheid. De mens is heel, wanneer hij zijn ware zelf gevonden heeft en één geworden is met alles wat is.
10. Ziekte dwingt de mens om de weg naar de eenheid niet te verlaten – daarom is ZIEKTE EEN WEG NAAR DE VOLKOMENHEID
---
Lees dit spiekbriefje als pdf: [De zin van ziekzijn - Theorie - Notesnook.pdf](<./attachments/078d69767fd1df3a-De zin van ziekzijn - Theorie - Notesnook.pdf> "De zin van ziekzijn - Theorie - Notesnook.pdf")
Lees het volledige boek (inclusief deel 2 - de praktijk) [hier](<https://app.air.inc/a/cH3hk5imQ> "hier")